Hoed 30-60 mm, halfbolvormig dan gewelfd met iets ingeslagen rand, bruin, geelbruin, roodbruin of met olijftint, waak onregelmatig gevlekt, aangedrukt viltig, bij ouderdom vaak onregelmatig openbarstend in kleine aangedrukte plakjes, waartussen het bleke vlees zichtbaar wordt. Buisjes aangehecht met aflopend tandje, recht of iets buikig, tot 8 mm lang. Poriën relatief groot, tot 1mm doorsnee, hoekig, gelig, later soms rood aanlopend, niet verkleurend. bij kneuzing. Steel 20-50 x 8-15 mm, cilindrisch, vaak gebogen aan de voet bij aanhechting aan de gastheer, aangedrukt rood vezelig op blekere, gele ondergrond. Vlees geel, vaak met een rode lijn net boven de aanhechting van de buisjes, oranje tot oranjebruin in de voet van de steel. Geur en smaak onbeduidend.

 

Sporen 11-114 x 4-6 μm, Q = 2.2-3.5, Qav = 2.5-3.0, slank cilindrisch tot bijna spoelvormig met een duidelijke deukje boven de apiculus. Hoedhuid een Curtis met overgangen naar een vrij regelmatig trichoderm van cilindrische hyfen, 3-6 μm breed, eindcellen cilindrisch, nauwelijks dikker dan de hyfen. Pigment in de wand van de hyfen, nauwelijks incrustrerend.

 

Ecologie en verspreiding.—parasitair op de Aardappelbovist, Scleroderma citrinum in loof- en gemende bossen, vooral op voedselarme zand- of leembodems, voornamelijk op de hogere zandgronden van het pleistoceen.

parasiticus_wakker